reis
 
> home        
> Jaap & Heleen   Bengaals platteland naar Dhaka - van de ene jungle in de andere    
> motivatie        
> eerdere reizen  

Khulna is een havenstad aan een rivier in het zuiden van Bangladesh. Dat is niet vreemd: de meeste steden en dorpen in Bangladesh liggen aan het water. De hoeveelheid water die door Bangladesh stroomt is onvoorstelbaar. Het land - in de orde van grootte van Nederland en België samen – is ’s wereld grootste riverdelta.

Het land bestaat feitelijk uit niets anders dan de mondingen van de grote rivieren – zoals de Ganges en Brahmaputra – die praktisch al het smeltwater uit de Himalaya naar zee voeren. Daar komt nog bij de enorme hoeveelheid regen die in dit land valt. Op sommige plaatsen 5000mm (5m) per jaar, waarvan het overgrote deel in de korte periode van de drie hete zomermaanden, als ook de hoeveelheid smeltwater uit de bergen het grootst is. Rivieren veranderen in kolkende massa’s van soms kilometers breed. Te breed en om bruggen te kunnen bouwen en in het natte seizoen te wild om veren te kunnen laten varen. De stukken land de tussen de vele kleine en grote rivieren zijn dicht begroeid met tropisch regenwoud of bieden plaats aan de nauwkeurig aangelegde terrassen waarop rijst wordt verbouwd. Meer in het noorden, waar het oneindig vlakke land enigszins hoogte wint, zijn de heuvels bedekt met enorm uitgestrekte theeplantages van soms duizenden hectares groot.

In Khulna boeken we een ticket voor “the Rocket”; de boot van Khulna naar de hoofdstad Dhaka. Het aan de haven gelegen kantoortje van de BIWTC (Bangladesh Inland Water Transport Corporation). Het kantoortje bereiken we vanuit ons hotelletje in het centrum van de stad via een doolhof van middeleeuws aandoende steegjes waar de markt wordt gehouden en waar wordt gehandeld in jutezakken kruiden en specerijen die in de aanliggende haven worden aan- en afgevoerd. Als we onze weg door de smalle steegjes zoeken kunnen we ons niet voorstellen dat er de afgelopen paar eeuwen veel is veranderd.

Als we het kantoortje bereiken – inmiddels als zo vaak achtervolgd door een kleine menigte – doemt er een imposante figuur op. Het is een man van een jaar of vijftig, hij is groter dan zijn in het algemeen schriele landgenoten, draagt een wit ondergewaad en een blauwe overmantel over de buik die zijn welstand verraadt en hij heeft een baard van formaat. Hij stapt recht op ons af, stopt voor me, geeft me eens hand en zegt “asalam waleikum”. Tot zover niets vreemden ik antwoord “wa aleikum asalam”. Als ik mijn hand wil terugtrekken is dat blijkbaar niet de bedoeling en hij begint een relaas in het Bangla. Omdat Bangla naar mijn beste weten op de middelbare school waar ik heenging geen verplicht vak was en omdat we dan nog geen week in het land zijn, kom ik niet verder dan een paar standaardzinnetjes en getallen (handig), maar van deze man versta ik natuurlijk helemaal niets. Af en toe vang ik de woorden “Allah”, “ Mohammed”, “Imam” en “Muzelman” op maar meer niet, maar het verhaal heeft blijkbaar een boeiende boodschap: rondom ons heen verzamelt zich een steeds grotere menigte en de – ik vermoed – imam wijst geregeld naar het publiek (bredere cirkels trekkend), naar zichzelf, naar mij en naar boven, waar zijn vriend woont. De menigte groeit verder en ik ben benieuwd hoe lang het gaat duren. Het lijk me sterk onbeleefd om weg te lopen dus we blijven staan en luisteren. Dan is hij klaar. Hij pakt me met beide handen bij mijn schouders, omhelst me een poosje en loopt weg. De menigte blijft, wij schieten het kantoortje in.

De volgende dag bezoeken we Bagarat – een dagtrip vanuit Khulna. Ten zuiden van Khulna moeten we eerst met een veer de rivier oversteken. Dat is eerder regelmaat dan uitzondering in Bangladesh. Met de vele rivieren zijn (spoor)wegen regelmatig onderbroken en is een oversteek met een veerboot noodzakelijk. Het is druk op de rivier en we krijgen de indruk dat boten in dit land aan 2 eisen moeten voldoen. 1: ze moeten absoluut niet zeewaardig zijn (of: hoe rotter hoe beter) en 2: er moeten altijd minstens vier keer zoveel mensen op als waarvoor de boot is gebouwd. Onze veerboot voldoet ruimschoots aan beide eisen.

Bagerat is zeker de moeite waard. Enkele kilometers buiten het dorpje liggen, verspreid in de dichte jungle, de oudste moskeen van Bangladesh (midden 15e eeuw). Het zijn goed bewaarde fraaie gebouwen en de omgeving (we moeten soms goed zoeken in het netwerk van paden door de dichte jungle), maken het helemaal de moeite waard. De Lonely Planet heeft een kaartje van de omgeving en biedt enige hulp maar zoals met veel kaartjes in deze uitgave klopt het maar voor de helft.

We vetrekken de volgende dag met de “the Rocket” naar Dhaka. De naam doet een snelle boot vermoeden maar dat blijkt verre van waar. Het is een grote logge boot, aangedreven door schoepraderen aan de zijkant en – zo verraadt de koperen plaat onder de brug – gebouwd in 1926. Gelukkig voor ons was Bangladesh toen Brits en de boot is een mooi staaltje brits ingenieurswerk. Een andere koperen plaat geeft aan dat een jaar of tien geleden het stoommechaniek is vervangen door Deutsche Diesels. Op zich jammer maar het vergroot de kansen dat we daadwerkelijk in Dhaka aankomen aanzienlijk.

De tocht duurt ruim 30 uur (2 nachten) en we hebben 1 van de 12 fraai 1e klas cabines geboekt. De rest van de passagiers (met uitzondering van een handjevol welgestelde Bengalen) vaart “deck-class”: dekentje mee en een plaatje zoeken om te slapen en twee dagen te leven op het onder- of bovendek. De van de rest van het schip afgesloten lounge van de 1e klas is een prachtige koloniale ruimte met vloerbedekking, zware houten stoelen en een enorme tafel. Aan weerszijden van deze lounge zitten de deuren naar de eerste klas cabines. Ook het boven-voordek is voor de eerste klas gereserveerd.

De dertig uur durende reis is prachtig. Dit is de ultieme manier van reizen! Op het dek in de zon met een boek, uitkijkend over eindeloze rivieren en jungles van zuid-Bangladesh. We varen langs kleine en grote nederzettingen aan de rivier, aan de rand van de jungle, waar we regelmatig stoppen. Ik voel me regelmatig als de hoofdpersoon uit Conrads “Heart of Darkness”, als hij beschrijft hoe hij langs de dorpjes aan de rand van de onmeetbare, mysterieuze en donkere jungle vaart. We vragen ons ook af waar die 130 miljoen mensen zijn die in dit land wonen. De dorpen en steden zijn vaak erg dichtbevolkt, maar het platteland is enorm uitgestrekt en dunbevolkt.

Twee dagen later arriveren we in de vroege ochtend in Dhaka. We blijven daar niet maar nemen gelijk de bus naar Srimangal. Srimangal is een klein dorp in het westen van het land omgeven door rollende heuvels die zijn begroeid met enorm uitgestrekte theeplantages of tropisch regenwoud. Het is er schitterend! We huren fietsen en verkennen de omgeving. Het regenwoud is enorm dichtbegroeid, de theeplantages (soms duizenden hectares groot) zijn enorm uitgesterkt.
In Srimangal komen we na 8 dagen in Bangladesh “onze eerste andere toerist” tegen. Anders dan we bijvoorbeeld in India zouden doen, lopen we gelijk op elkaar af om bij te praten. Hij is twee weken in het land en wij zijn ook “zijn eerste toeristen”. En wij zijn dan nog met z’n tweeën, zodat we onze ervaringen met elkaar kunnen delen, maar hij moest het twee weken lang doen met heel veel – overigens erg vriendelijke – Bengalen die in het engels niet verder komen dan “country???”. Hij was dus erg blij om anderen tegen te komen en we zouden spontaan een bier zijn gaan drinken, ware het niet dat dat niet te krijgen is in dit islamitische land (in India overigens ook niet makkelijk en het is daar relatief duur: ik sta al anderhalve maand droog... )

We blijven een paar dagen in Srimangal en nemen dan de bus naar Dhaka. De busrit is ook een klein avontuur. Na ongeveer vijf uur in de bus stoppen we midden op de weg (op zich geen ramp: er rijdt, loopt en fiets van alles dus dit maakt weinig verschil). De buschauffeur roept iets in het Bangla de bus en iedereen stapt uit. Wij dus ook maar. Ik sta naast de bus en zie er met een niet onbeduidend straaltje dieselolie uit lopen. Ik wijs er naar en roep “diesel”, niet wetend of de chauffeur hiervan op de hoogte is. Vervolgens beginnen de Bengalen die om me heen staan ook allemaal “dizel, dizel” te roepen, als een groep kippen. De ticket-wallah van de bus wordt met een vat op bad gestuurd en we halen het volgende tankstation. We zijn weer onderweg – een mooi spoor dieselolie achterlatend op de weg naar Dhaka. Een paar meter verder op de weg ligt een bus op z’n kant. Er staan wat mensen naast en die wijzen, maar veel bedrijvigheid is er niet. We rijden door – blijkbaar niets bijzonders. Buschauffeurs rijden hier als kamikazepiloten. Hard toeterend op elkaar af (de weg is niet breed genoeg voor twee bussen) en op het laatste moment allebei precies genoeg aan de kant gaan, daarbij de fietsriksja’s, voetgangers en fietsen volgehangen met levende kippen, de berm in duwend. Meestal gaat dat goed, maar dus ook wel eens niet.

Nog een uurtje later komen we in Dhaka aan. Dhaka is een van de goorste en meest vervuilde steden ter wereld. Het verkeer bestaat vooral uit duizenden tientallen jaren oude dieselbussen en tweetactriksja’s. Het gevolg: bij iedere ademteug die je binnenhaalt heb je het gevoel dat je drie jaar minder lang leeft. Gisteren zaten we in een riksja midden in de file, omsingeld door oude bussen die allemaal stonden te gassen. Toen dachten we helemaal dat we net zo goed een slof sigaretten konden oproken. Het is onvoorstelbaar. Dhaka is naast heel vervuild ook heel groot: de schatting is 12 miljoen inwoners maar niemand weet het precies en de stad groeit ongecontroleerd (geen plannen: het groeit gewoon). In het zuiden ligt het oude deel van de stad, dat vooral bestaat uit veel kleine steegjes en straatjes. In het noorden ligt Gulshan, de wijk voor de welgestelden, waar ook veel banken, verzekeringen en de meeste ambassades en expats zitten.

Ondanks de onvoorstelbare drukte en vervuiling is Dhaka voor ons in bepaalde opzichten ook wel een verademing. De “restaurantjes” in Srimangal hadden iedere dag hetzelfde op het menu staan (chicken curry en chickenbiriani). Op zich niets mis mee, maar na een paar dagen hetzelfde (twee of drie keer per dag), kregen we wel zin in iets anders. En dat is dan het voordeel van Dhaka: er is in vergelijking met het platteland veel te doen en veel te krijgen, en de stad heeft zoals veel andere grote steden toch op een bepaalde manier z’n charme.

Vanuit Dhaka zullen we verder reizen naar het Noordwesten van Bangladesh. We gaan op pad met een taak: een weeshuis bezoeken en blij maken met een gift van neef Marco en Ina die het vorig jaar bezocht hebben en er erg van onder de indruk waren. Dat wordt een uur of negen in de bus dus genoeg te beleven!

 

 

> TIP

> route & planning     De Rocket - de boot tussen Dhaka en Khulna vv - is een prachtige manier om door Bangladesh te reizen. Zeker doen dus. Je kan ook onderweg op- en afstappen. Er zijn 3 klasses en zelfs de luxe 1e klasse is nog erg goedkoop.
> reisdagboek    
> foto's    
> reis-info & tips    
> contact    
> links    
     
       
     
      > FEIT
      De fietsriksjah is het symbool van Bangladesh. In de hoofdstad Dhaka (6,5 mln inwoners) zijn er naar schatting alleen al ruim 600.000 (...). En dan ook nog een heleboel meer in de rest van het land.