| Om
6 uur ‘s ochtends vertrekken we met een auto-riksja
vanaf ons hotel in Dhaka naar het busstation 12 km buiten de stad. We
zijn er vroeg bij want we hebben een lange rit voor de boeg. Zeker gezien
onze eerdere buservaringen.
Op ’t superdrukke station krioelt het van de mensen en natuurlijk
wil iedereen weten waar die buitenlanders vandaan komen en waar ze naartoe
moeten: Thakurgaon is ons antwoord. Dat is duidelijk want al snel staan
we bij het juiste loket. Daar blijkt dat de eerstvolgende bus pas om half
9 vertrekt, maar met enige tegensputtering van onze kant blijken er ineens
nog twee plaatsen in de bus van ½ 8 vrij te zijn. Oké, mooi.
We vinden het al opvallend dat er ‘plaatsen’ gereserveerd
worden. Onze ervaring is dat er altijd genoeg plaats is in ’t gangpad,
op het dak of achter de stoel van de chauffeur. Tot onze grote verbazing
blijken er echt alleen mensen te gaan zitten op de gereserveerde stoelen
en de beenruimte (zelfs voor Jaap) is harstikke ruim. Onderweg wordt er
ook nogeens gestopt bij een heus ‘foodcourt’ waar ze heerlijke
cornetto’s verkopen.
Als we om 16.00 uur in Thakurgaon aankomen zit het eerste
hotel waar we samen kijken helaas vol. Om de een of andere reden worden
in sommige hotels buitenlanders niet geaccepteerd. Omdat er nu nog maar
twee budgethotels overblijven passen wij ons trucje toe. Heleen blijft
met de rugzakken (en de halve menigte kijkers) achter en Jaap gaat (met
de andere helft kijkers) op zoek naar een hotelletje. Nu gaat het prima
en we kunnen zelfs kiezen uit beide hotels. We weten niet zeker of deze
‘truc’ echt helpt. Maar volgens ons zien we er nogal schrikwekkend
uit voor het hotelpersoneel als er ineens een (ongetrouwd??) stel met
rugzakken het hotel binnenkomt.
Het hotelpersoneel vormt trouwens ook altijd een apart volk.
In Bangladesh wordt er niet eerst geklopt, nee ze voelen luidruchtig aan
de deur. Nu doen wij de deur altijd op slot, maar doe je dat niet dan
staat er te pas en te onpas een mannetje in je kamer. Ze hebben ook altijd
van alles: er moet nog een formuliertje getekend worden, ze komen sprayen
met insectenreiniger, of ’s avonds laat (als je al 100x voorbij
de receptie bent gewandeld) als je net ligt te slapen; de kamer is nog
niet betaald. AAHHRRRHHH. Wegwezen!!!!
De restaurants (lees: schuur waarin men eet) zijn ook een
verhaal apart. Zoals nu wel duidelijk is werden wij op een gegeven moment
niet goed van de eeuwige chicken-curry. Alhoewel de curry heerlijk was
gaat het na een week gewoon vervelen. Gelukkig was er in Dhaka wel genoeg
variatie.
Voor ontbijt namen we meestal ‘paratha’ brood. Dit zijn platte
broodjes die gebakken worden (waar je bij staat) op een grote ijzeren
plaat. Ze smaken een beetje zoals een franse crepe. Erg lekker dus, alleen
niet met curry erbij op je nuchtere maag. Wij aten ze met suiker. Nou
dat was altijd een hele tour. Niemand in zo’n restaurant begreep
dat wij die broodjes met suiker wilden eten. Gelukkig wisten we dat ‘chini’
suiker betekende dus na enige commotie kregen we uiteindelijk altijd wel
wat we wilden.
In een van de restaurants bestelden we chicken-curry, rijst en twee cola.
Niet zo moeilijk dachten we. Totdat we brood met geroosterde kip kregen!?
Neeeeeeh, dat hebben we niet besteld, we willen chicken-curry. Na druk
overleg komt er gewoon iemand aan met chicken-curry en rijst. Oke, dan
nog twee colaatjes….. Worden er twee flesjes Sprite op tafel gezet.
Nee, twee flesjes cola willen we. We zien dat een van de jongens naar
buiten gestuurd wordt en even later komt hij terug met 1,5 lt cola. Nee,
niet goed, we willen twee flesjes. Weer gaat de jongen naar buiten en
komt nu terug met een 1 lt fles cola. Nee, weer niet goed. We willen twee
flesjes. Ondertussen doen wij verwoede pogingen om duidelijk te maken
dat we gewoon twee simpele flesjes cola willen. De jongen is ondertussen
weer op pad geweest en komt nu terug met een fles water!!! Nu springt
Jaap op en loopt naar achter waar twee lege flesjes cola staan en roept
en wijst “dit willen we” hehe, eindelijk is het duidelijk
en als de jongen voor de vierde keer terugkomt heeft hij twee flesjes
cola. Zucht.
Verder is het in alle restaurants altijd zaak om zo snel mogelijk je eten
naar binnen te proppen en dan zo snel mogelijk weg te zijn. De rekening
komt ook altijd op tafel terwijl je bord nog maar half leeg is. Toen we
’s avonds laat ‘ Rocket boat’ namen vanuit Khulna moesten
we tot 22.00 uur wachten. Dus hadden wij gedacht: dan schrijven we tijdens
het eten alvast wat verhalen voor de site en schrijven we nog wat kaarten
etc. om de tijd een beetje te doden. Maar dat werkte ontzettend op de
zenuwen van het personeel die echt niet wisten wat ze met deze buitenlanders
moesten doen. Je zag ze denken: waarom blijven ze zo lang zitten? De rekening
was allang gebracht en een paar keer hadden ze al gevraagd of we nog iets
wensten. Uiteindelijk kwam een van de jongens naar ons toe en zei tegen
Jaap: You, Now You Stop. Om verdere zenuwklachten te besparen zijn we
toen maar bij het hotel gaan zitten……
De ligging van Thakurgaon, helemaal in het verre noordwesten,
is erg bijzonder. De grens van India is maar 10 km verderop, die van Nepal
30 km en Bhutan ligt maar 50 km hiervandaan. Toch is het landschap hier
net zo vlak als in Nederland.
In Thakurgaon doen we niet zo heel veel, omdat Jaap zich niet zo lekker
voelt. We proberen nog om het Singra-forest te vinden, maar de aanwijzingen
in de Lonely Planet lopen dood en ook met de hulp (…) van de vele
locals kunnen we het forest niet vinden. Ondertussen hebben zich natuurlijk
weer vele kindertjes verzameld die staan te roepen en te zwaaien en dat
levert dan nog wel heel mooie foto’s op. Verder relaxen we een beetje
op de kamer waar we een TV hebben en ’s avonds eten we natuurlijk
nog een chicken-curry.
Vanaf Thakurgaon nemen we de bus naar Dinajpur, zo’n
50 km zuidwaarts. In de reisgids staan nooit (behalve een schatting bij
Dhaka) gegevens over het aantal inwoners dus hebben we eigenlijk geen
idee hoeveel mensen er in Dinajpur wonen. Feit is dat de bevolking van
Bangladesh nog steeds explosief groeit, al is het gemiddeld aantal kinderen
per vrouw al gedaald van 6,3 in 1975 naar 2,9 in 1999. De verwachting
is dat er over 35 tot 40 jaar zo’n 230 tot 280 miljoen Bangladezen
zullen zijn (momenteel heeft het land 130 miljoen inwoners!) Dinajpur
lijkt voor ons een van de vele typisch Bengaalse stadjes met ontzettend
veel riksja’s, een treinstationnetje, een kleurrijke markt en veel
winkeltjes die van alles en nog wat verkopen van rijst tot kleding.
De meeste vrouwen in Bangladesh dragen (en ook in India)
een sari. De moderne en gemakkelijker te dragen variant hiervan is de
‘salwar kameez’. Dit is een pak bestaand uit een hele wijde
pofbroek met daaroverheen een tuniek die tot over de knieën valt
en daarbij een grote bijpassende sjaal. Omdat ik (Heleen) me af en toe
erg bekeken voel in mijn gewone lange broek met bloes laat ik in Dinajpur
ook zo’n pak maken. Bij een van de vele kleermakers kies ik de stof
uit en nadat mijn maten opgenomen worden kan ik de volgende dag het pak
alweer ophalen.
Als we de volgende dag terugkomen zien we al dat er druk gewerkt is, er
liggen overal stukjes stof verpreid op straat. Als ik het pak aantrek
voelt het even als een verkleedpartij met carnaval, maar de kleermaker
vindt het helemaal fantastisch en is zo trots als een pauw. In ieder geval
zit ’t heerlijk en ga ik (ook straks in Pakistan) een stuk minder
opvallend gekleed over straat en dat alles voor minder dan 5 euro. Als
we later in een internetcafe zitten vraagt er zelfs iemand aan me of in
Bangladesh woon!?
In Dinajpur bezoeken we het weeshuis waar Marco en Ina ons
over verteld hebben. Gewapend met enkele foto’s staan we voor het
gebouw. Het duurt niet lang of uit alle hoeken en gaten komen jongetjes
(in de leeftijd van 6 tot ongeveer 15 jaar) tevoorschijn. Allemaal zijn
ze erg nieuwierig naar ons. Als we de foto’s laten zien wordt er
onderling druk gepraat en gediscussieerd en een paar lopen weg om Mr Rahman
(de penningmeester die op de foto staat) te halen. En ja hoor, na enkele
minuten komt deze man (die wij intussen van de foto’s kennen) al
aanlopen. Na een hartelijk welkom krijgen we een rondleiding door het
weeshuis. De ± 40 jongetjes die hier wonen krijgen naast huisvesting,
eten ook onderwijs hier. Niet alle kinderen zijn wees, van sommigen hebben
de ouders simpelweg geen geld om ze op te voeden.
De bouw van het weeshuis is nog niet helemaal af. Men is bezig om een
extra verdieping op het bestaande pand te bouwen zodat er meer plaatsen
beschikbaar komen. De gift van Marco en Ina zal dan ook zeker goed van
pas komen bij alle bouwwerkzaamheden. Er zijn overigens nog ongeveer 10
weeshuizen in Dinajpur.
Vanuit Dinajpur willen we de volgende dag de Kantanagar Tempel
bezoeken. Deze staat bekend als de mooiste Hindutempel in Bangladesh.
De trip zou niet te veel moeite moeten kosten. Het kleine dorpje Kantanagar
ligt ongeveer 25 km ten noorden van Dinajpur langs de weg van Dinajpur
naar Thakurgaon, waar met grote regelmaat bussen rijden.
We staan dus vroeg op en nemen een fietsriksja naar het busstation, een
paar kilometer verderop aan de rand van de stad. Omdat niemand Engels
spreekt lopen we naar de eerste beste bus en roepen “Kantanagar”.
Normaal gesproken werkt dit goed: de buschaufffeur of een van de omstanders
in de snel groeiende groep mensen om ons heen wijst dan wel naar de bus
die we moeten hebben. Nu gaat het echter iets anders: de buschauffeur
begint een verhaal in Bangla. Dat spreken we nog steeds niet vloeiend
dus we lopen naar een volgende persoon en roepen weer “Kantanagar”.
Ook hier geen vinger in de richting van de goede bus maar weer een verhaal,
waaruit we enigszins opmaken dat er geen bus is. Na wat rondlopen en rondvragen
op het busstation komt er een jongen die wel een beetje Engels spreekt
en die maakt duidelijk dat er geen bussen rijden omdat er een “hartal”
is; een door de oppositie georganiseerde staking. Dat is dus de derde
keer in twee weken tijd! De schade die dit soort stakingen aan de toch
al zwakke economie toebrengt is enorm, en de meeste Bangladezen hebben
geen idee waarom ze staken. Ze weten alleen dat de staking door de oppositie
wordt uitgeroepen en dat door de oppositie ingehuurde “zware jongens”
je winkeltje alsnog komen “sluiten” als je toch open bent.
Mocht de oppositie de verkiezingen winnen dan draait het hele verhaal
gewoon om en de partijen die dan de oppositie vormen, spelen precies hetzelfde
vieze spelletje.
Maar goed, dus geen bussen naar Kantanagar. We lopen naar
de mainroad naar Thakurgaon en daar rijden met enige regelmaat tempo’s
(grotere motorriksja’s voor meerdere personen) richting Thakurgaon.
Dit zijn dan privé-riksja’s die goede dagen draaien als de
bussen niet rijden. We springen daar in en zijn alsnog onderweg naar Kantanagar.
Na een paar kilometer draaien we van de hoofdweg (stelt overigens ook
niet veel voor) een kleiner weggetje in en we rijden over de binnendoorroute
door een paar dorpjes waar mensen in en uitstappen.
Op een gegeven moment komen we in een heel klein dorpje waar we stoppen
en we zien dat de chauffeur en de “geld-wallah” een beetje
met elkaar aan het smoezen zijn. Er zitten met ons nog twee mensen in
de tempo die blijkbaar ook verder moeten maar die moeten er opeens uit
en wij moeten als enige blijven zitten. We hebben in de gaten dat het
allemaal voor geen meter deugt en we stappen ook uit de tempo en Jaap
wil 12 taka betalen. Een goede prijs: de jongen die samen met ons instapte
in Dinajpur betaalde ook 6 taka toen hij even daarvoor uitstapte. De riksja-chauffeur
en z’n vriend denken daar echter anders over en bedenken dat wij
toch echt 30 taka moeten betalen. Meer vragen hoort hier echter niet:
er is geen sprake van onderhandelen over een prijs zoals met zoveel dingen
het geval is. De prijs van vervoer staat aardig vast en is in de regel
geen onderwerp van onderhandelingen. Hier is dus weer gewoon sprake van
proberen de buitenlanders een poot uit te draaien. Dat gebeurt natuurlijk
vaker en na een paar dagen word je daar wel heel moe van.
Jaap is het gesjoemel tussen de chauffeur en z’n vriend goed zat
en we hebben inmiddels in de gaten dat het niet deugt en de jongen (in
een groep mensen van circa 30 mensen die inmiddels alweer om ons heen
staat) die zegt dat het 30 taka kost moet kosten, moet het ontgelden.
Jaap rent naar hem toe, de jongen rent weg, Jaap maait bijna z’n
hoofd er af met een enorme schop en de jongen valt plat op z’n gezicht
over een fiets die achter hem staat (nou ja, nu klinkt het heel stoer
maar zo erg was het niet bedoeld en de "schop" was niet eens
in de buurt...). De omstanders vinden het wel mooi want die weten inmiddels
ook wel dat de riksja-driver en z’n vriend alleen aan het proberen
zijn ons op te lichten.
Jaap loopt weer naar de chauffeur en vraagt nogeens wat het moet kosten.
Die geeft weinig antwoord dus we gooien de 12 taka naar hem toe en gaan
verder lopen. Een stukje verder wordt er meer duidelijk: er is een splitsing
en wij moeten links terwijl de route van de tempo de andere kant op gaat.
De mensen die in het dorpje uit moesten stappen zitten er weer in en de
tempo gaat verder op z’n oude route - en dus toch niet naar Kantangar
- met veel te veel betalende toeristen.
Als we wat verder het dorpje uit lopen blijkt dat we het
toch niet zo slecht hebben getroffen: het landschap is onvoorstelbaar
mooi met bossen en rijstvelden met af en toe kleine dorpjes. Dit zouden
we allemaal hebben gemist als de bussen gewoon zouden rijden en we via
de hoofdweg naar Kantanagar zouden zijn gegaan. We lopen nog een poos
en maken dan – met de hulp van een jongen die aardig Engels spreekt
en een poosje met ons opfietst – een deal met een riksjah om ons
naar Kantanagar te brengen.
Het is nog wel een flink stuk fietsen en het landschap blijft
prachtig. Op een een gegeven moment komen we weer bij de hoofdweg en moeten
we nog een kilometer of vier verder naar het noorden voor we bij Kantanagar
zijn. Tussen de weg en de tempel stroomt een rivier die we in het natte
seizoen met een boot zouden moeten oversteken. De rivierbedding ligt nu
echter zo goed als droog en de rivier is niet meer dan een stroompje van
een paar meter breed waarover een tijdelijk bamboebruggetje is gebouwd.
Na de rivier lopen we door een klein dorpje omgeven door rijstvelden en
bananenplantages. Onvoorstelbaar hoe groen Bangladesh is. De tempel is
zeker de moete waard: groots en met enorm gedetailleerd beeldhouwwerk.
Vlakbij de tempel staat een theestalletje waar we even lekker kunnen rusten
in de schaduw en een thee-op-z’n-bengaals drinken.
Als we teruglopen naar de weg komen we de aardige jongen
tegen die eerder met ons was meegefietst en bij hem is de jongen waarmee
Jaap “ruzie had”. Hij heeft er blijkbaar nog eens over nagedacht
en besloten dat het niet goed was om de buitenlanders te tillen en komt
z’n excuus aanbieden. Dat is snel geaccepteerd, maar we worden al
weer snel wantrouwig want wat zit hier weer achter? Ons wantrouwen blijkt
onterecht want het zijn aardige jongens die veel weten over hun land en
ook erg zijn geinteresserd in Nederland en Europa en we praten terwijl
we naar de weg lopen en nemen afscheid. Inmiddels is het al later: we
dachten even heen en weer te rijden naar de tempel maar door alle gedoe
zijn we toch de hele dag bezig. Maar da’s niet erg: we hebben meer
gezien dan wanneer het zou gaan zoals gepland.
Vanaf Dinajpur reizen we verder met de trein naar Rasjahi.
Wederom is het landschap ontzettend mooi en groen met vele rijstvelden.
Zonder het getoeter en constante inhalen van de bussen is dit een erg
relaxte manier van reizen.
Omdat de trein al om 6.15 uur vertrok komen we al om 13.30 uur aan. We
blijven op de kamer tot de ergste hitte voorbij is en dan gaan we weer
op stap. Op naar de boulevard, want Rasjahi ligt aan de Padma-rivier.
De Padma-rivier is dezelfde rivier als de Ganges in India en aan de overkant
van de rivier ligt dan ook India.
Op de boulevard is het al aardig druk aan het worden. Iedereen komt hier
nl. naar de zonsondergang kijken. Verkopers hebben het dan ook erg druk
met ’t verkopen van ijs, pinda’s, snoepjes, komkommertjes
etc. Nadat de zon ondergegaan is eten we nog iets in de stad waar het
erg gezellig en (waar niet) druk is op straat. We eten nog een ijsje,
vertellen nog even aan 30 mensen waar we vandaan komen en lopen terug
naar ons hotel. Als we teruglopen zien we nog een gezellige dikke man
die druk bezig is om hapjes te frituren. Natuurlijk mogen we hier wel
een foto van maken maar we moeten ook proeven van de hapjes. Het zijn
soort krakelingen die gebakken worden in vet en daarna gedoopt worden
in suiker. Alhoewel het supervet is smaakt het heerlijk en we mogen niets
betalen.
De volgende dag staan we vroeg op om een bus te nemen naar
Jessore, het stadje waar we ook de eerste nacht bleven toen we aankwamen
in Bangladesh. Ook dit is echter weer een kleine strijd. Blijkt dat er
twee bussen per dag naar Jessore gaan en die gaan ’s ochtends vroeg
en hebben we net gemist. Raar want normaal gesproken kan je op ieder moment
van de dag wel een bus krijgen en de Lonely Planet (die inmiddels blauw
zit van de kruizen door alle informatie die niet klopt) zegt dat er gedurende
de dag regelmatig bussen rijden. Nog een paar keer navragen leert echter
dat er echt geen bussen zijn en we besluiten de trein te nemen die om
10.00 uur zou moeten vetrekken. Op het station blijkt echter dat de trein
is verzet naar zes uur ’s avonds.
Op advies nemen we een bus naar een stadje verderop (Natore) waar we alsnog
een trein naar Jessore kunnen nemen. Als we na een uurtje in een overvolle
bus met beenruimte gemaakt voor mensen van 1 meter 20, aankomen in Natore
lopen we naar het station. Daar blijkt dat de trein om 12.00 komt –
we moeten dus een uur of twee wachten. Na een halfuurtje horen we dat
de trein niet om 12.00 maar om 13.00 komt. Nog langer wachten dus en weer
vervloeken we de manier waarop Bangladesh (niet) wordt gerund en de passiviteit
van de mensen. De treinrit maakt dan weer veel goed: met een stokoude
dieseltrein door het groene landschap van west-Bangladesh, en aan het
eind van de middag komen we aan in Jessore. We gaan naar hetzelfde hotelletje
als waar we drie weken daarvoor ook hebben geslapen en als we inchecken
en onze gegevens invullen in het boek voor de buitenlandse gasten zien
we dat er sinds ons bezoek drie weken eerder geen andere buitenlandse
gasten zijn geweest.
De volgende dag nemen we vanuit Jessore de bus naar het grensstadje Benapole
– niet veel meer dan een lange stoffige weg met kilometerslange
rijen wachtende trucks. Overigens niet nadat we een riksja moeten nemen
van de busstand die Lonely Planet aanduidt en de echte plek waarvandaan
de bussen vertrekken, enkele kilometers verder…. meer blauwe kruizen…(maar
weinig keus want Lonely Planet is de enige engelstalige reisgids voor
Bangladesh). In Benapole besteden we onze laatste taka’s aan een
colaatje, water, wc-papier, batterijen en film en dat gaan we weer die
administratieve molen in die de grensoversteek met zich meebrengt: aan
de kant van Bangladesh een kantoortje voor de paspoorten, vandaag naar
een ander kantoortje waar ze weer de paspoorten moeten zien, niemandland
oversteken en aan de Indiase kant weer van kantoortje naar kantoortje;
formuliertjes invullen en stempels in het paspoort. Maar het verloopt
allemaal zonder problemen en aan de Indiase kant delen we een taxi naar
Calcutta met een man uit Bangladesh.
Sommige dingen vallen ons in India meteen op. We zijn nog
geen kwartier in het land en we zien het eerste festival al. De weg is
vol vrolijk zingende en dansende mannen en vrouwen. Afgeladen vrachtauto’s
voeren mensen aan die allemaal komen meefeesten. Het is een erg mooi en
kleurrijk spektakel. Verder valt het ons natuurlijk op dat er veel minder
fietsriksja’s zijn en dat er veel meer vrouwen op straat zijn. Al
met al is het een kleurrijk geheel.
Terugkijkend was Bangladesh een fantastisch mooi land om
rond te reizen. Er zijn logischerwijs veel overeenkomsten met India maar
ook heel veel verschillen die reizen in Bangladesh toch weer heel anders
maken. Door het ontbreken van enige toeristische infrastructuur en omdat
in vergelijking met India in Bangladesh echt bijna niemand Engels spreekt,
kost het reizen wel wat meer moeite: simpele dingen kosten soms meer tijd
en moeite dan je zou verwachten, communiceren is lastig of onmogelijk
en voorzieningen voor buitenlandse reizigers zijn er simpelweg niet. Onze
ervaring was dat het in Bangladesh heel erg handig en misschien wel noodzakelijk
is om een paar zinnen Bangla te leren, terwijl je bijvoorbeeld in India
eigenlijk altijd met Engels wel uitkomt. Dit is overigens geen negatief
oordeel: het reizen kost misschien wat meer moeite maar het is ook een
erg leerzame ervaring en we hebben dingen gezien die niet veel buitenlandse
toeristen zien en het reizen is daardoor in veel opzichten erg belonend.
Bangladesh is een onzettend mooi land met heel vriendelijke mensen. Na
drie weken begint het echter wel op je zenuwen te werken dat er constant
dertig mensen om je heen staan die ook allemaal ongegeneerd naar je staan
te staren en allemaal vragen “country?” en voor de rest helemaal
niets kunnen vragen of zeggen. Eerst is dat leuk maar dat gaat snel voorbij
en ga je de zot met mensen houden en het alfabet afwerken (Azerbedjan,
Brasil, Congo, Denmark, Equador etc) of gewoon namen van landen verzinnen
(erg hilarisch, vooral als ze net doen of ze het land kennen). Maar het
constante gestaar en geachtervolg gaan zeker op je zenuwen werken en vaak
zou je willen dat ze allemaal even weg gaan en aan het werk gaan. Op een
gegeven moment zet je mensen dus in de negeerstand en ga je kortaf tegen
ze doen. Wat dat betreft is het lekker om terug te zijn in India. Een
andere reden is het eten: het menu in Bangladesh is erg eenzijdig en na
drie weken iedere dag hetzelfde verlangen we sterk naar de mondstrelende
gerechten van India: rijk gevulde thali’s, curry’s, masala
dosa’s en ga zo maar door!
In tegenstelling tot in India weten mensen in Bangladesh ook vaak over
hun eigen te land te melden dat het o zo arm is. Tegelijkertijd blijkt
uit veel dat mensen enorm passief zijn. Bangladesh is een van de meest
vruchtbare stukken land op aarde en de ligging van het land in Azie, met
veel havens is niet ongunstig. Toch presteert Bangladesh niet veel. We
hebben in gesprekken met mensen vaak gemerkt dat ze zichzelf zo arm vinden
en ze dromen van dingen die in het westen te koop zijn. Utopische plaatjes
op posters en op de achterkant van riksja’s laten bergweidjes zien
met mooie huizen. Tegelijkertijd doen ze niets aan onderhoud van bijvoorbeeld
de gebouwen die ze zelf hebben, wordt het land met grote regelmaat platgelegd
door stakingen en de corruptie in Bangladesh is zo groot dat westerse
investeerders er wegblijven. Mensen willen wel welvaart, maar vaak was
onze indruk dat het besef dat welvaart niet voor niets komt en je ervoor
moet werken, niet of nauwelijks aanwezig is. Ze weten dus vaak wel te
melden dat ze zo arm zijn, maar hoe het dan wel moet en dat ze daar zelf
ook wat voor moeten doen is een ander verhaal. Buitenlandse hulp aan Bangladesh
zal naast geld (waarvan duidelijk is dat het in concrete projecten wordt
gestopt en niet verdwijnt in vaak corrupte overheidshanden) ook moeten
bestaan uit kennisoverdacht.
We zitten nu dus weer in Calcutta. Dat is geen pretje:
het is veel warmer dan drie weken geleden. Overdag ligt de temperatuur
ruim boven de 35 graden, de luchtvochtigheid is erg hoog en ’s nachts
koelt het nauwelijks af. Zweten dus en ideaal weer dus om naar het strand
te gaan en dat is dan ook precies wat we gaan doen: we nemen 22 maart
de trein naar Gopalpur, een klein kustplaatsje in de staat Orissa, een
paar honderd kilometer ten zuiden van Calcutta aan de Oostindiase Coromandel-kust.
Daar gaan we een weekje lekker zwemmen, aan het stand liggen en nog eens
langzaam de belevenissen van de afgelopen weken voor de geest halen (en
misschien hebben ze er zelfs wel een koude bier voor Jaap….).
|